hak
zelfstandig naamwoord, werkwoord hɑkBetekenis
- verhoging onder een schoen bij de hiel
- hak, inkeping, keep, kerf, kartel
- recht
- haak
Hoe spreek je hak uit?
/hɑk/
Hak bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɑ | bad |
| k | kat |
zelfstandig naamwoord — masculine
- hiel van de voet
- werktuig om de grond mee open te hakken
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hakje | verkleinwoord, enkelvoud |
| hakjes | verkleinwoord, meervoud |
| hakken | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hakken
- gebiedende wijs van hakken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hakken
Vervoeging van hak
hakhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘landbouwwerktuig’ voor het eerst aangetroffen in 1301
Woordfamilie van hak
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hakje | verkleinwoord | hak |
| hakjes | verkleinwoord meervoud | hak |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hak zijn vastgelegd.