sport
zelfstandig naamwoord, werkwoord /spɔrt/Betekenis
- lichamelijke bezigheid ter ontspanning of als beroep met spel- of wedstrijdelement waarbij conditie en vaardigheid vereist zijn
- spel
- trede van een ladder
- stoelspaak
- (lichaamsbeweging)
- (trede)
- sport-
- spelen, zich vermaken
- pronken met (een kledingstuk)
- lichamelijke opvoeding, gymnastiek
Hoe spreek je sport uit?
/spɔrt/
Sport bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| p | pak |
| ɔ | bot |
| r | rood |
| t | tak |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| sporten | meervoud |
| sportje | verkleinwoord, enkelvoud |
| sportjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van sporten
- gebiedende wijs van sporten
Vervoeging van sport
sporthele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘lichamelijke bezigheid’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1847
Woordfamilie van sport
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| sportje | verkleinwoord | sport |
| sportjes | verkleinwoord meervoud | sport |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van sport zijn vastgelegd.