bridge
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een spel gespeeld door vier spelers, verdeeld in twee paren en gespeeld in dertien slagen
- de kam van een elektrische gitaar
- brug
- (onderdeel) de 'kam' van een snaarinstrument (strijk- en toetsinstrumenten)
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bridgen
- gebiedende wijs van bridgen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bridgen
- aanvoegende wijs van bridgen
Vervoeging van bridge
bridgehele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘kaartspel’ voor het eerst aangetroffen in 1918