fort
zelfstandig naamwoord /fɔrt/Betekenis
- sterk
- een versterkte positie
Hoe spreek je fort uit?
/fɔrt/
Fort bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| f | fiets |
| ɔ | bot |
| r | rood |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — neuter
- bouwwerk om de eigen positie te versterken
- sterke kant, sterk punt, sterke zijde (meestal in ontkennende zin) figuratively
- groot woonhuis voor meerdere gezinnen tegelijk, vaak begonnen als eengezinswoning
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| forten | meervoud |
| fortje | verkleinwoord, enkelvoud |
| fortjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘vestingwerk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1577
Woordfamilie van fort
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| forten | meervoud | fort |
| fortje | verkleinwoord | fort |
| fortjes | verkleinwoord meervoud | fort |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fort zijn vastgelegd.