bankdrukken
werkwoord ˈbɑŋɡdrʏkə(n)Betekenis
- een krachtoefening waarbij een gewicht van de borst moet worden weggedrukt, al liggende op een bank
Hoe spreek je bankdrukken uit?
/ˈbɑŋgdrʏkən/
Bankdrukken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɑ | bad |
| ŋ | ding |
| g | goal |
| d | dak |
| r | rood |
| ʏ | put |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van bankdrukken
bankdrukkenhele werkwoord — bankdrukteverleden tijd enkelvoud — bankdruktenverleden tijd meervoud — (gebankdrukt)voltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bankdruk | bankdrukte |
| jij | bankdrukt | bankdrukte |
| hij, zij, het | bankdrukt | bankdrukte |
| wij | bankdrukken | bankdrukten |
| jullie | bankdrukken | bankdrukten |
| zij | bankdrukken | bankdrukten |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| (bankdrukte) | verleden tijd |
| (gebankdrukt) | verleden tijd, deelwoord |
| bankdruk | gebiedende wijs |
| bankdrukke | aanvoegende wijs |
| bankdrukkend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebankdrukt | verleden tijd, deelwoord |
| gebankdrukt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebankdrukt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebankdrukt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebankdrukt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebankdrukt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebankdrukt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebankdrukt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebankdrukt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebankdrukt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebankdrukt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebankdrukt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebankdrukt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebankdrukt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebankdrukt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebankdrukt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebankdrukt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebankdrukt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bankdrukken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebankdrukt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bankdrukken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal bankdrukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bankdrukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bankdrukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebankdrukt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebankdrukt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebankdrukt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou bankdrukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bankdrukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bankdrukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebankdrukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebankdrukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebankdrukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bankdrukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bankdrukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bankdrukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebankdrukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebankdrukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebankdrukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bankdrukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebankdrukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bankdrukken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bankdrukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bankdrukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bankdrukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebankdrukt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebankdrukt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebankdrukt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bankdrukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebankdrukt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van bank zn en drukken ww
Woordfamilie van bankdrukken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bankdruk | gebiedende wijs | bankdrukken |
| bankdrukkend | onvoltooid deelwoord | bankdrukken |
| bankdrukkende | woordvorm | bankdrukken |
| bankdrukt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bankdrukken |
| bankdrukte | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 1e persoon | bankdrukken |
| bankdrukten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bankdrukken |
| gebankdrukt | voltooid deelwoord | bankdrukken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bankdrukken zijn vastgelegd.