badminton
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- sport waarbij een shuttle met behulp van een racket over een net geslagen moet worden
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van badmintonnen
- gebiedende wijs van badmintonnen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van badmintonnen
Vervoeging van badminton
badmintonhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels (zie aldaar de verdere etymologie). In de betekenis van ‘balspel’ in het Nederlands voor het eerst aangetroffen in 1915.