dammen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈdɑmə(n)Betekenis
- het damspel spelen
- een bordspel
dammen in een zin
- Op zondagmiddag zaten ze urenlang te dammen.
- Hij leerde dammen van zijn opa.
- Wie wint er als we straks gaan dammen?
Hoe spreek je dammen uit?
/ˈdɑmən/
Dammen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| ɑ | bad |
| m | maan |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van dammen
dammenhele werkwoord — damdeverleden tijd enkelvoud — damdenverleden tijd meervoud — gedamdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | dam | damde |
| jij | damt | damde |
| hij, zij, het | damt | damde |
| wij | dammen | damden |
| jullie | dammen | damden |
| zij | dammen | damden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| dam | gebiedende wijs |
| damde | verleden tijd |
| damme | aanvoegende wijs |
| dammend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedamd | verleden tijd, deelwoord |
| gedamd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedamd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedamd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedamd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedamd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedamd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedamd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedamd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedamd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedamd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedamd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedamd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedamd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedamd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedamd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedamd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedamd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te dammen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedamd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen dammen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal dammen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal dammen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal dammen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedamd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedamd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedamd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou dammen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou dammen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou dammen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden dammen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden dammen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden dammen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt dammen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen dammen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen dammen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen dammen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen dammen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedamd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedamd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedamd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult dammen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedamd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord dam
Herkomst
In de betekenis van ‘spel’ aangetroffen vanaf 1567
Woordfamilie van dammen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| damde | verleden tijd | dammen |
| damden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | dammen |
| damme | aanvoegende wijs | dammen |
| dammend | onvoltooid deelwoord | dammen |
| dammende | woordvorm | dammen |
| damt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | dammen |
| gedamd | voltooid deelwoord | dammen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dammen zijn vastgelegd.