stort
zelfstandig naamwoord, werkwoord /stɔrt/Betekenis
- stortplaats waar gestort kan worden
- plaats waar modder tijdelijk opgeslagen wordt
- een vertrek in een oude boerderij
- dun plaatstaal
- grotendeels, voor het merendeel
Hoe spreek je stort uit?
/stɔrt/
Stort bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| ɔ | bot |
| r | rood |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| storten | meervoud |
| stortje | verkleinwoord, enkelvoud |
| stortjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van storten
- gebiedende wijs van storten
Vervoeging van stort
storthele werkwoord
Herkomst
Naamwoord van handeling van storten
Woordfamilie van stort
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stortje | verkleinwoord | stort |
| stortjes | verkleinwoord meervoud | stort |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stort zijn vastgelegd.