Naar de inhoud

sporten

aan sport doen

sporten is meer dan één woord

sporten

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈspɔrtə(n)

Betekenis

  1. aan sport doen
  2. bepaalde vorm enkelvoud van sport

Hoe spreek je sporten uit?

/ˈspɔrtən/

Sporten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈspɔrtən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
s sok
p pak
ɔ bot
r rood
t tak
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van sporten

sportenhele werkwoord — sportteverleden tijd enkelvoud — sporttenverleden tijd meervoud — gesportvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik sport sportte
jij sport sportte
hij, zij, het sport sportte
wij sporten sportten
jullie sporten sportten
zij sporten sportten
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is gesport impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gesport impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gesport impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gesport impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gesport worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gesport zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gesport worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gesport zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gesport verleden tijd, deelwoord
gesport te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gesport zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gesport voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gesport voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gesport voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gesport voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gesport voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gesport voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gesport voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gesport voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gesport actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gesport voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gesport voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gesport voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gesport voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gesport voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gesport voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
sport gebiedende wijs
sporte aanvoegende wijs
sportend onvoltooid, deelwoord
sportte verleden tijd
te hebben gesport actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te sporten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen sporten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gesport hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gesport hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gesport hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal sporten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal sporten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal sporten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gesport hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gesport hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gesport hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou sporten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou sporten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou sporten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gesport hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gesport hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gesport hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden sporten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden sporten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden sporten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gesport hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt sporten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gesport hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gesport hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gesport hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen sporten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen sporten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen sporten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen sporten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gesport hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult sporten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord sport

Herkomst

afgeleid van sport met het achtervoegsel -en

Woordfamilie van sporten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gesport voltooid deelwoord sporten
sporte aanvoegende wijs sporten
sportend onvoltooid deelwoord sporten
sportende woordvorm sporten
sportte verleden tijd sporten
sportten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon sporten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van sporten zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over sporten

Hoe spreek je sporten uit?
De uitspraak van sporten is: /ˈspɔrtə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent sporten?
Sporten is een werkwoord. Het woord betekent: aan sport doen. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je sporten?
Je vervoegt sporten als volgt: de tegenwoordige tijd is sport, de verleden tijd is sportte en het voltooid deelwoord is gesport. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op sporten?

Er staan 13 woorden in dit woordenboek die op sporten rijmen, waaronder schorten, watersporten en consorten. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op sporten, uitspraak ˈspɔrtən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
schorten 2
watersporten 4
consorten 3
aandachtstekorten 5
aandachttekorten 5
bergsporten 4
detectiverapporten 7
gehandicaptensporten 7
horten 2
multisporten 4
railtransporten 4
watersportten 4
worstelsporten 4

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord sporten is 12 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. P 3
  3. O 1
  4. R 2
  5. T 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 12 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

sporten levert met Wordfeud minimaal 13 en maximaal 103 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. P 4
  3. O 1
  4. R 2
  5. T 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 13 zonder bonus
  9. 103 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

sporten telt 7 letters, waarvan 7 verschillende. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

sporten in het kort

sporten is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van sporten zijn 39 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort sporten bij een woordfamilie van 6 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

sporten: aan sport doen
Deel sporten — standaardnederlands.nl