bobsleeën
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- een sport bedrijven waarbij een bochtig ijsparcours wordt afgelegd in een bestuurbare slee
- het beoefenen van de bobsleesport
Vervoeging van bobsleeën
bobsleeënhele werkwoord — bobsleedeverleden tijd enkelvoud — bobsleedenverleden tijd meervoud — gebobsleedvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bobslee | bobsleede |
| jij | bobsleet | bobsleede |
| hij, zij, het | bobsleet | bobsleede |
| wij | bobsleeën | bobsleeden |
| jullie | bobsleeën | bobsleeden |
| zij | bobsleeën | bobsleeden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bobslee | gebiedende wijs |
| bobsleede | verleden tijd |
| bobsleeë | aanvoegende wijs |
| bobsleeënd | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebobsleed | verleden tijd, deelwoord |
| gebobsleed te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebobsleed zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebobsleed | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebobsleed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebobsleed | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebobsleed | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebobsleed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebobsleed | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebobsleed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebobsleed | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebobsleed | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebobsleed | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebobsleed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebobsleed | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebobsleed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebobsleed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebobsleed | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bobsleeën | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebobsleed | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bobsleeën | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal bobsleeën | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bobsleeën | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bobsleeën | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebobsleed hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebobsleed hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebobsleed hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou bobsleeën | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bobsleeën | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bobsleeën | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebobsleed hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebobsleed hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebobsleed hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bobsleeën | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bobsleeën | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bobsleeën | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebobsleed hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebobsleed hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebobsleed hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bobsleeën | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebobsleed hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bobsleeën | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bobsleeën | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bobsleeën | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bobsleeën | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebobsleed hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebobsleed hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebobsleed hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bobsleeën | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebobsleed hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Vervoeging van bobsleeën
bobsleeënhele werkwoord — bobsleedeverleden tijd enkelvoud — bobsleedenverleden tijd meervoud — gebobsleedvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bobslee | bobsleede |
| jij | bobsleet | bobsleede |
| hij, zij, het | bobsleet | bobsleede |
| wij | bobsleeën | bobsleeden |
| jullie | bobsleeën | bobsleeden |
| zij | bobsleeën | bobsleeden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bobslee | gebiedende wijs |
| bobsleede | verleden tijd |
| bobsleeë | aanvoegende wijs |
| bobsleeënd | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebobsleed | verleden tijd, deelwoord |
| gebobsleed te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebobsleed zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebobsleed | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebobsleed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebobsleed | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebobsleed | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebobsleed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebobsleed | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebobsleed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebobsleed | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebobsleed | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebobsleed | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebobsleed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebobsleed | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebobsleed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebobsleed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebobsleed | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bobsleeën | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebobsleed | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bobsleeën | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal bobsleeën | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bobsleeën | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bobsleeën | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebobsleed hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebobsleed hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebobsleed hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou bobsleeën | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bobsleeën | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bobsleeën | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebobsleed hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebobsleed hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebobsleed hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bobsleeën | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bobsleeën | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bobsleeën | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebobsleed hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebobsleed hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebobsleed hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bobsleeën | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebobsleed hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bobsleeën | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bobsleeën | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bobsleeën | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bobsleeën | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebobsleed hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebobsleed hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebobsleed hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bobsleeën | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebobsleed hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord bobslee
Herkomst
samenstelling van bob en sleeën
Woordfamilie van bobsleeën
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bobsleede | verleden tijd | bobsleeën |
| bobsleeden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bobsleeën |
| bobsleet | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bobsleeën |
| bobsleeë | aanvoegende wijs | bobsleeën |
| bobsleeënd | onvoltooid deelwoord | bobsleeën |
| bobsleeënde | woordvorm | bobsleeën |
| gebobsleed | voltooid deelwoord | bobsleeën |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bobsleeën zijn vastgelegd.