basketbal
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈbɑskədˌbɑlBetekenis
- een sport gespeeld door twee teams van vijf spelers die punten scoren door een bal in de korf van de tegenstander te gooien
- bal voor het spelen van basketbal.
Hoe spreek je basketbal uit?
/ˈbɑskədˌbɑl/
Basketbal bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɑ | bad |
| s | sok |
| k | kat |
| ə | de |
| d | dak |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
zelfstandig naamwoord — neuter
- sport gespeeld door twee teams van vijf spelers die punten scoren door een bal in de korf van de tegenstander te gooien
- bal voor het spelen van basketbal
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| basketballen | meervoud |
| basketballetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| basketballetjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van basketballen
- gebiedende wijs van basketballen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van basketballen
Vervoeging van basketbal
basketbalhele werkwoord
Herkomst
van Engels basketball, op te vatten als samenstelling van basket zn en bal zn , in de betekenis van ‘spel waarbij bal door ring met net wordt gegooid’ aangetroffen vanaf 1924
Woordfamilie van basketbal
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| basketballetje | verkleinwoord | basketbal |
| basketballetjes | verkleinwoord meervoud | basketbal |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van basketbal zijn vastgelegd.