port
zelfstandig naamwoord, werkwoord /pɔrt/Betekenis
- vrachtloon, kosten voor poststukken
- een zoetige wijn, oorspronkelijk uit de streek rond Porto
- haven
- bakboord kort voor 'port side', de linkerzijde als men van op een schip naar de boeg kijkt
- deur, ingang, opening, passage, poort
- inrit
- doorgang
- luik
- poort des hemels, de poort naar de hemel
- poort der hel, de poort naar de hel
- twee bars in de slalom voor de afbakening van de route
Hoe spreek je port uit?
/pɔrt/
Port bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɔ | bot |
| r | rood |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — masculine
- : en : vrachtloon, kosten voor poststukken masculine, neuter
- : een zoetige wijn, oorspronkelijk uit de streek rond Porto masculine
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| porten | enkelvoud |
| portje | verkleinwoord |
| portjes | verkleinwoord, enkelvoud |
Woordvorm
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van porren
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van porren
- gebiedende wijs meervoud van porren
Vervoeging van port
porthele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘vrachtgeld voor poststukken’ voor het eerst aangetroffen in 1588
Woordfamilie van port
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| porten | enkelvoud | port |
| portje | verkleinwoord | port |
| portjes | verkleinwoord | port |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van port zijn vastgelegd.