interval
zelfstandig naamwoord ˈɪntərˌvɑlBetekenis
- de tijd tussen twee tijdstippen van een tijdlijn, of de afstand tussen twee punten van een lijn
- de telling van de tonen van een diatonisch|diatonische toonladder
- de afstand tussen twee verschillende tonen van een diatonische toonladder
Hoe spreek je interval uit?
/ˈɪntərˌvɑl/
Interval bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɪ | pit |
| n | nek |
| t | tak |
| ə | de |
| r | rood |
| v | vis |
| ɑ | bad |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
zelfstandig naamwoord — masculine, neuter
- de telling van de tonen van een diatonische toonladder
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| intervallen | meervoud |
| intervalletje | verkleinwoord, enkelvoud |
| intervalletjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
leenwoord uit het Frans; in de betekenis van ‘tussentijd’; voor het eerst aangetroffen in 1485
Woordfamilie van interval
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| intervallen | meervoud | interval |
| intervalletje | verkleinwoord | interval |
| intervalletjes | verkleinwoord meervoud | interval |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van interval zijn vastgelegd.