kroon
zelfstandig naamwoord, werkwoord kronBetekenis
- hoofddeksel dat door een vorst gedragen wordt
- metafoor voor de “vorst”
- belangrijk, het belangrijkste, vooral gebruikt in samenstellingen
- verwijzing naar de vorm van 1
- benaming voor verschillende munteenheden gebruikt in Denemarken, IJsland, Noorwegen, Tsjechië en Zweden
- munstuk met de waarde van 1 kroon
- een lichtbron bestaande uit een krans van lichtbronnen
- kroon
- kroon, de munteenheid van o.a. Noorwegen
- kroon,
Hoe spreek je kroon uit?
/kron/
Kroon bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| r | rood |
| o | boot |
| n | nek |
Klinkt hetzelfde als crohn.
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- hoofddeksel dat door een vorst [1] gedragen wordt
- iets wat belangrijk of het belangrijkste is, vooral gebruikt in samenstellingen figuratively
- verwijzing naar de vorm van [1] figuratively
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kronen | meervoud |
| kroontje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kroontjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kronen
- gebiedende wijs van kronen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kronen
Vervoeging van kroon
kroonhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Deens of ijslands of noors of zweeds, in de betekenis van ‘munteenheid van Denemarken en later ook IJsland, Noorwegen en Zweden’ voor het eerst aangetroffen in 1871
Woordfamilie van kroon
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kroontje | verkleinwoord | kroon |
| kroontjes | verkleinwoord meervoud | kroon |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kroon zijn vastgelegd.