boon
zelfstandig naamwoord bonBetekenis
- vlinderbloemige plant met rode, witte of paarse bloemen, waaruit de eetbare peulvruchten groeien
- zaadje uit de peulvrucht van enige vlinderbloemige planten, waarvan men alleen de zaden ofwel de gehele vrucht eet
- kleur
- lustig, vriendelijk, vrolijk
- gunstig, voordelig
- attentie
- gave
- gunst
- kameraad
- zegen
- zegening
Hoe spreek je boon uit?
/bon/
Boon bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| o | boot |
| n | nek |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- bepaald soort vlinderbloemige plant met rode, witte of paarse bloemen, Phaseolus vulgaris, waaruit de eetbare peulvruchten groeien
- bepaald soort vlinderbloemige plant met witte bloemen, Vicia faba, witte of paarse bloemen, waaruit de eetbare peulvruchten groeien
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bonen | meervoud |
| boontje | verkleinwoord, enkelvoud |
| boontjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
van Middelnederlands bone, in de betekenis van ‘zaad van peulvrucht’ voor het eerst aangetroffen in 1210
Woordfamilie van boon
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bonen | meervoud | boon |
| boontje | verkleinwoord | boon |
| boontjes | verkleinwoord meervoud | boon |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van boon zijn vastgelegd.