krans
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een rondgaande versiering, met name rond een hoofd of top
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kransen | meervoud |
| kransje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kransjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kransen
- gebiedende wijs van kransen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kransen
Vervoeging van krans
kranshele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘ring van gevlochten bloemen’ voor het eerst aangetroffen in 1400
Woordfamilie van krans
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kransjes | verkleinwoord meervoud | krans |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van krans zijn vastgelegd.