troon
zelfstandig naamwoord, werkwoord /troːn/Betekenis
- zetel waar een vorst op zit tijdens formele plechtigheden
- het koningschap
Hoe spreek je troon uit?
/tron/
Troon bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| r | rood |
| o | boot |
| n | nek |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tronen | meervoud |
| troontje | verkleinwoord, enkelvoud |
| troontjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tronen
- gebiedende wijs van tronen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tronen
Vervoeging van troon
troonhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans of Latijn, in de betekenis van ‘staatsiezetel van vorst’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van troon
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| troontje | verkleinwoord | troon |
| troontjes | verkleinwoord meervoud | troon |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van troon zijn vastgelegd.