woon
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ʋoːn/Betekenis
- woonplaats
Hoe spreek je woon uit?
/won/
Woon bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| o | boot |
| n | nek |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wonen
- gebiedende wijs van wonen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wonen
Vervoeging van woon
woonhele werkwoord
Afleidingen en samenstellingen
- woon-werkverkeer
- woon-zorgcentrum
- woon-zorgcomplex
- woonadres
- woonark
- woonbebouwing
- woonbegeleiding
- woonbeleid
- woonbestemming
- woonbeurs
- woonblok
- woonboerderij
- woonboot
- woonboulevard
- woonbuurt
- wooncarrière
- wooncentrum
- wooncomfort
- wooncomplex
- woonconcentratie
- woonconsument
- wooncontainer
- wooncorporatie
- wooncultuur