antifoon
zelfstandig naamwoord ˌɑntiˈfonBetekenis
- apparaatje om het oor af te sluiten tegen hinderlijk geluid
- vers dat gezongen wordt als inleiding of afsluiting van een psalm
- beurtzang tussen priesters en gemeente
Hoe spreek je antifoon uit?
/ˌɑntiˈfon/
Antifoon bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| n | nek |
| t | tak |
| i | riet |
| f | fiets |
| o | boot |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| antifonen | meervoud |
| antifoontje | verkleinwoord, enkelvoud |
| antifoontjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘beurtzang, liturgisch vers’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van antifoon
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| antifonen | meervoud | antifoon |
| antifoontje | verkleinwoord | antifoon |
| antifoontjes | verkleinwoord meervoud | antifoon |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van antifoon zijn vastgelegd.