allochtoon
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord ˌɑlɔxˈtonBetekenis
- iemand die van elders afkomstig is. Binnen het overheidsbeleid gaat het meer specifiek om een persoon die niet is geboren in het land of plaats waar hij woont of die ouders heeft die niet geboren zijn in het land of plaats waar hij woont.
- lid van een minderheid die problemen heeft of geeft. Afhankelijk van de periode kan het gaan om Molukkers, Turken, Marokkanen, Surinamers, Antillianen of asielzoekers uit Afrika en het Midden-Oosten
- uit een ander land of plaats afkomstig
- afkomstig van een problematische minderheid, m.n. Marokkanen, Turken, Antillianen en Surinamers.
- (van gesteenten) zich bevindend op een andere tectonische plaat na een overschuiving
Hoe spreek je allochtoon uit?
/ˌɑlɔxˈton/
Allochtoon bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| l | land |
| ɔ | bot |
| x | acht |
| t | tak |
| o | boot |
| n | nek |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- iemand die van elders afkomstig is Binnen het overheidsbeleid gaat het meer specifiek om een persoon die niet is geboren in het land of plaats waar hij woont of die ouders heeft die niet geboren zijn in het land of plaats waar hij woont.
- lid van een minderheid die problemen heeft of geeft Afhankelijk van de periode kan het gaan om Molukkers, Turken, Marokkanen, Surinamers, Antillianen of asielzoekers uit Afrika en het Midden-Oosten
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| allochtonen | meervoud |
| allochtoontje | verkleinwoord, enkelvoud |
| allochtoontjes | verkleinwoord, meervoud |
bijvoeglijk naamwoord
- zich bevindend op een andere tectonische plaat na een overschuiving
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| allochthoon |
Herkomst
Oorspronkelijk een bijvoeglijk naamwoord, gevormd uit Oudgrieks ἄλλος (allos) "ander" en χθών (chthōn) "aarde, grond, land", in de geologische betekenis van ‘veen en steenkool, gevormd uit van elders aangevoerd materiaal’ voor het eerst aangetroffen in 1910 (zie hieronder).
Woordfamilie van allochtoon
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| allochtone | woordvorm | allochtoon |
| allochtonen | meervoud | allochtoon |
| allochtoner | woordvorm | allochtoon |
| allochtonere | woordvorm | allochtoon |
| allochtoners | woordvorm | allochtoon |
| allochtoontje | verkleinwoord | allochtoon |
| allochtoontjes | verkleinwoord meervoud | allochtoon |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van allochtoon zijn vastgelegd.