toon
zelfstandig naamwoord, werkwoord tonBetekenis
- een geluid met een bepaalde herkenbare hoogte, een trilling met een frequentie
- intonatie in de gesproken taal, manier van spreken
- sfeer, impliciete boodschap van teksten
- het karakteristieke geluid van een stem of instrument
- kleurschakering door toevoeging van wit of zwart b.v. halftoon
- klemtoon, accent
Hoe spreek je toon uit?
/ton/
Toon bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| o | boot |
| n | nek |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tonen | meervoud |
| toontje | verkleinwoord, enkelvoud |
| toontjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tonen
- gebiedende wijs van tonen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tonen
Vervoeging van toon
toonhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘klank’ voor het eerst aangetroffen in 1410
Woordfamilie van toon
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| toontje | verkleinwoord | toon |
| toontjes | verkleinwoord meervoud | toon |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van toon zijn vastgelegd.