schoon
bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, voegwoord, werkwoord /sxoːn/Betekenis
- mooi, loffelijk (vooral in Vlaanderen en Limburg)
- net, proper, rein, milieuvriendelijk (vooral in Nederland)
- proper, gereinigd
- hoewel, ofschoon
Hoe spreek je schoon uit?
/sxon/
Schoon bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| o | boot |
| n | nek |
bijvoeglijk naamwoord
- mooi, loffelijk
- net, proper, rein, milieuvriendelijk
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schone | verbogen, stellende trap |
| schoner | onverbogen, vergrotende trap |
| schonere | verbogen, vergrotende trap |
| schoners | partitief, vergrotende trap |
| schoons | partitief, stellende trap |
| schoonst | onverbogen, overtreffende trap |
| schoonste | verbogen, overtreffende trap |
bijwoord
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord proper, gereinigd
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schonen
- gebiedende wijs van schonen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schonen
Vervoeging van schoon
schoonhele werkwoord
Herkomst
erfwoord via Middelnederlands schone / scone van Oudnederlands skoni, in de betekenis van ‘rein, mooi’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
Woordfamilie van schoon
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schoner | vergrotende trap | schoon |
| schonere | verbogen vergrotende trap | schoon |
| schoners | partitieve vergrotende trap | schoon |
| schoons | partitive, positive | schoon |
| schoonst | uninflected, superlative | schoon |
| schoonste | inflected, superlative | schoon |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schoon zijn vastgelegd.