telefoon
zelfstandig naamwoord ˌteləˈfonBetekenis
- een toestel waarmee men geluid over kan brengen door middel van galvanische stroom, telefoontoestel
- kleine draagbare computer waarmee men ook kan telefoneren
- telefonische oproep of telefonisch onderhoud
Hoe spreek je telefoon uit?
/ˌteləˈfon/
Telefoon bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| e | veel |
| l | land |
| ə | de |
| f | fiets |
| o | boot |
| n | nek |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| telefoons | meervoud |
| telefoontje | verkleinwoord, enkelvoud |
| telefoontjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘toestel voor geluidsoverdracht op afstand’ voor het eerst aangetroffen in 1875
Woordfamilie van telefoon
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| telefoons | meervoud | telefoon |
| telefoontjes | verkleinwoord meervoud | telefoon |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van telefoon zijn vastgelegd.
Afleidingen en samenstellingen
- telefonie
- telefonisch
- telefonist
- telefoniste
- telefoonbeantwoorder
- telefoonbedrijf
- telefoonboek
- telefooncel
- telefooncentrale
- telefoongesprek
- telefoongids
- telefoonhoorn
- telefoonkaart
- telefoonklapper
- telefoonkosten
- telefoonlijn
- telefoonmaatschappij
- telefoonnetwerk
- telefoonnummer
- telefoonpaal
- telefoonprovider
- telefoonrekening
- telefoonseks
- telefoonsysteem