kring
zelfstandig naamwoord, werkwoord krɪŋBetekenis
- een ronde figuur zoals een cirkel
- een gemeenschap van mensen die met elkaar omgaan
- een ronde vlek op een tafelblad ontstaan doordat er een nat glas op gestaan heeft
Hoe spreek je kring uit?
/krɪŋ/
Kring bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| r | rood |
| ɪ | pit |
| ŋ | ding |
zelfstandig naamwoord — masculine
- patroon in de vorm van een cirkel
- groep personen die met elkaar omgaan omdat ze bepaalde belangen of opvattingen delen
- cirkelvormige vlek op een tafelblad, vaak doordat daar een nat glas heeft gestaan
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kringen | meervoud |
| kringetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kringetjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kringen
- gebiedende wijs van kringen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kringen
Vervoeging van kring
kringhele werkwoord
Herkomst
Voor het eerst aangetroffen in de betekenis van “ronde omgang of ring of omheining of singel, d.i. cirkel” in 1477.
Woordfamilie van kring
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kringetje | verkleinwoord | kring |
| kringetjes | verkleinwoord meervoud | kring |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kring zijn vastgelegd.