hoofd
zelfstandig naamwoord /ɦoːft/Betekenis
- bovenste deel van het lichaam boven de hals, waarin zich de hersenen en oren, ogen en neus bevinden
- het hoogste of het voorste deel
- belangrijker, hoogste (als eerste deel van een samenstelling)
- iemand die gezag heeft over anderen
- een haaks op een rivieroever of kust aangelegde krib, dam, golfbreker of (wandel-) pier
Hoe spreek je hoofd uit?
/hoft/
Hoofd bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| o | boot |
| f | fiets |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — neuter
- bovenste deel van het menselijk lichaam boven de hals, waarin zich de hersenen en oren, ogen en neus bevinden
- hoogste of voorste deel van een geheel figuratively
- belangrijker, hoogste figuratively
- iemand die leiding geeft aan een onderdeel van een organisatie figuratively
- haaks op een rivieroever of kust aangelegde krib, dam, golfbreker of (wandel-) pier
- uitgebouwde aanlegsteiger of losplaats
- kernwoord van een constituent [2] (meestal een zelfstandig naamwoord of werkwoord)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hoofden | meervoud |
| hoofdje | verkleinwoord, enkelvoud |
| hoofdjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘kop’ voor het eerst aangetroffen in 901
Woordfamilie van hoofd
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hoofdje | verkleinwoord | hoofd |
| hoofdjes | verkleinwoord meervoud | hoofd |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hoofd zijn vastgelegd.
Afleidingen en samenstellingen
- hoofdaanklager
- hoofdaccent
- hoofdact
- hoofdacteur
- hoofdactiviteit
- hoofdactrice
- hoofdagent
- hoofdakte
- hoofdambtenaar
- hoofdarbeider
- hoofdartikel
- hoofdas
- hoofdbaan
- hoofdband
- hoofdbeginsel
- hoofdberoep
- hoofdbestanddeel
- hoofdbestuur
- hoofdbestuurslid
- hoofdbewerking
- hoofdboodschap
- hoofdbreken
- hoofdbrok
- hoofdbureau