zakken
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈzɑkə(n)Betekenis
- naar beneden gaan
- niet slagen voor een examen
- in elkaar zakken: dood, zwaargewond of door een flauwte op de grond vallen
Hoe spreek je zakken uit?
/ˈzɑkən/
Zakken bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| ɑ | bad |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van zakken
zakkenhele werkwoord — zakteverleden tijd enkelvoud — zaktenverleden tijd meervoud — gezaktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zak | zakte |
| jij | zakt | zakte |
| hij, zij, het | zakt | zakte |
| wij | zakken | zakten |
| jullie | zakken | zakten |
| zij | zakken | zakten |
Alle 99 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gezakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gezakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gezakt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gezakt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gezakt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gezakt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gezakt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gezakt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gezakt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gezakt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gezakt | verleden tijd, deelwoord |
| gezakt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gezakt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gezakt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezakt te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezakt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezakt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gezakt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gezakt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gezakt zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gezakt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is gezakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gezakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zakken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn gezakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zakken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gezakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gezakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gezakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gezakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gezakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gezakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gezakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gezakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gezakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gezakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gezakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gezakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gezakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gezakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gezakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gezakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gezakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gezakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gezakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gezakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zak | gebiedende wijs |
| zakke | aanvoegende wijs |
| zakkend | onvoltooid, deelwoord |
| zakte | verleden tijd |
| zal gezakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gezakt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezakt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gezakt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gezakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gezakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gezakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gezakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gezakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gezakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gezakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gezakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gezakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gezakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gezakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gezakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gezakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gezakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gezakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gezakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gezakt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezakt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezakt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zakken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gezakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gezakt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord zak
Herkomst
van Middelnederlands sacken ww , op te vatten als afgeleid van zak zn met het achtervoegsel -en **[1] in de betekenis van ‘dalen, zinken’ aangetroffen vanaf 1611 **[2] in de betekenis van ‘niet slagen voor een examen’ aangetroffen vanaf 1897 **[4] in de betekenis van 'in de maag doen zakken', 'verzwelgen' aangetroffen vanaf 1486
Woordfamilie van zakken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gezakt | voltooid deelwoord | zakken |
| zakke | aanvoegende wijs | zakken |
| zakkend | onvoltooid deelwoord | zakken |
| zakkende | woordvorm | zakken |
| zakt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | zakken |
| zakte | verleden tijd | zakken |
| zakten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | zakken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zakken zijn vastgelegd.