zakgeld
zelfstandig naamwoord ˈzɑkxɛltBetekenis
- een hoeveelheid geld die een jongere per week of maand van zijn of haar ouders ontvangt
Hoe spreek je zakgeld uit?
/ˈzɑkxɛlt/
Zakgeld bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| ɑ | bad |
| k | kat |
| x | acht |
| ɛ | bed |
| l | land |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- een hoeveelheid geld die een jongere per week of maand van zijn of haar ouders ontvangt om vrij te besteden
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zakgeldje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zakgeldjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van zak en geld
Woordfamilie van zakgeld
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zakgeldje | verkleinwoord | zakgeld |
| zakgeldjes | verkleinwoord meervoud | zakgeld |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zakgeld zijn vastgelegd.