zaak
zelfstandig naamwoord /zaːk/Betekenis
- een term waarmee een ding of een voorstelling van de geest aangeduid wordt die geen persoon is
- voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten (volgens de definitie van 3:2 BW)
- iets dat men te behartigen heeft, een aangelegenheid, affaire
- een transactie of handel
- een onderneming of bedrijf
- een rechtszaak, geding, gerechtszaak, rechtsgeding
Hoe spreek je zaak uit?
/zak/
Zaak bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| a | maan |
| k | kat |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- iets stoffelijks (een ding) of een abstracte voorstelling van de geest, geen betrekking hebbend op een persoon of ander levend wezen
- transactie of handel zn (vooral in de woordcombinatie zaken doen) plural
- onderneming [1] of bedrijf [1]
- situatie, toestand, m.n. als gevolg van een voorafgaande reeks gebeurtenissen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zaakje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zaakjes | verkleinwoord, meervoud |
| zaken | meervoud |
Herkomst
erfwoord via Middelnederlands van Oudnederlands saka, in de betekenis van ‘rechtszaak’ voor het eerst aangetroffen als deel van een samenstelling vanaf 701 en als woord met de betekenis van ‘voorwerp, handeling’ aangetroffen vanaf 901
Woordfamilie van zaak
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zaakjes | verkleinwoord meervoud | zaak |
| zake | feminine | zaak |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zaak zijn vastgelegd.