kledingzaak
zelfstandig naamwoord ˈkledɪŋˌzakBetekenis
- een winkel die zich specialiseert in de verkoop van kleding
Hoe spreek je kledingzaak uit?
/ˈkledɪŋˌzak/
Kledingzaak bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| l | land |
| e | veel |
| d | dak |
| ɪ | pit |
| ŋ | ding |
| z | zon |
| a | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kledingzaakje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kledingzaakjes | verkleinwoord, meervoud |
| kledingzaken | meervoud |
Herkomst
samenstelling van kleding en zaak
Woordfamilie van kledingzaak
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kledingzaakje | verkleinwoord | kledingzaak |
| kledingzaakjes | verkleinwoord meervoud | kledingzaak |
| kledingzaken | meervoud | kledingzaak |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kledingzaak zijn vastgelegd.