bovenkaak
zelfstandig naamwoord ˈbovə(n)ˌkakBetekenis
- één van de beenderen van de schedel
Hoe spreek je bovenkaak uit?
/ˈbovənˌkak/
Bovenkaak bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| o | boot |
| v | vis |
| ə | de |
| n | nek |
| k | kat |
| a | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- een van de beenderen van de schedel
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bovenkaakje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bovenkaakjes | verkleinwoord, meervoud |
| bovenkaken | meervoud |
Herkomst
samenstelling van boven en kaak
Woordfamilie van bovenkaak
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bovenkaakje | verkleinwoord | bovenkaak |
| bovenkaakjes | verkleinwoord meervoud | bovenkaak |
| bovenkaken | meervoud | bovenkaak |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bovenkaak zijn vastgelegd.