baak
zelfstandig naamwoord bakBetekenis
- een vuurtoren
- een vast merk- of herkenningsteken om de koers van een schip of het verloop van vaarwater mee te bepalen
- een markeringsbord langs waterwegen of spoorwegen
- een heuvelrug of hoogte
- een lat, gebruikt in combinatie met een waterpasinstrument, met maatverdeling om hoogteverschillen en afstanden te kunnen meten
Hoe spreek je baak uit?
/bak/
Baak bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| a | maan |
| k | kat |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| baakje | verkleinwoord, enkelvoud |
| baakjes | verkleinwoord, meervoud |
| baken | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘vast merk dat vaarwater aangeeft’ voor het eerst aangetroffen in 1484
Woordfamilie van baak
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| baakje | verkleinwoord | baak |
| baakjes | verkleinwoord meervoud | baak |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van baak zijn vastgelegd.