verzaken
werkwoordBetekenis
- een plicht niet nakomen, verzuimen, verloochenen
- bij het kaartspel: een troef of kleur niet bekennen
Vervoeging van verzaken
verzakenhele werkwoord — verzaakteverleden tijd enkelvoud — verzaaktenverleden tijd meervoud — verzaaktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verzaak | verzaakte |
| jij | verzaakt | verzaakte |
| hij, zij, het | verzaakt | verzaakte |
| wij | verzaken | verzaakten |
| jullie | verzaken | verzaakten |
| zij | verzaken | verzaakten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is verzaakt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verzaakt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verzaakt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verzaakt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verzaakt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verzaakt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verzaakt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verzaakt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verzaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verzaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verzaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verzaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verzaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verzaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verzaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verzaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verzaakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verzaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verzaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verzaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verzaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verzaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verzaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verzaakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verzaken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verzaken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verzaak | gebiedende wijs |
| verzaakt | verleden tijd, deelwoord |
| verzaakt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verzaakt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verzaakte | verleden tijd |
| verzake | aanvoegende wijs |
| verzakend | onvoltooid, deelwoord |
| zal verzaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verzaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verzaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verzaken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verzaken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verzaken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou verzaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verzaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verzaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verzaken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verzaken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verzaken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verzaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verzaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verzaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verzaken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verzaken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verzaken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verzaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verzaken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verzaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verzaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verzaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verzaken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verzaken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verzaken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verzaken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verzaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verzaken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘zich afkeren, afvallig worden’ voor het eerst aangetroffen in 776
Woordfamilie van verzaken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verzaak | gebiedende wijs | verzaken |
| verzaakt | voltooid deelwoord | verzaken |
| verzaakte | verleden tijd | verzaken |
| verzaakten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verzaken |
| verzake | aanvoegende wijs | verzaken |
| verzakend | onvoltooid deelwoord | verzaken |
| verzakende | woordvorm | verzaken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verzaken zijn vastgelegd.