haak
zelfstandig naamwoord, werkwoord /haːk/Betekenis
- een soort gebogen nagel 3, waaraan men, als deze in de muur bevestigd is, voorwerpen kan ophangen
- winkelhaak (3 mogelijkheden !)
- haakvormig gebogen plantendeel
- elk van de tekens, rond of met hoeken, om woorden of getallen af te zonderen dus ( )
- gebogen stuk metaal met scherpe punt waarmee men vissen kan vangen
Hoe spreek je haak uit?
/hak/
Haak bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| a | maan |
| k | kat |
zelfstandig naamwoord — masculine
- een soort gebogen nagel [3], waaraan men, als deze in de muur bevestigd is, voorwerpen kan ophangen
- Regel in genummerde lijst
- elk van de tekens, rond of met hoeken, om woorden of getallen af te zonderen dus ( ) [ ]
- zandplaat
- deel van een vaste telefoon waarop de hoorn ligt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| haakje | verkleinwoord, enkelvoud |
| haakjes | verkleinwoord, meervoud |
| haken | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van haken
- gebiedende wijs van haken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van haken
Vervoeging van haak
haakhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘gebogen voorwerp om iets vast te houden, op te hangen e.d.’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van haak
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| haakjes | verkleinwoord meervoud | haak |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van haak zijn vastgelegd.