taak
zelfstandig naamwoord, werkwoord /taːk/Betekenis
- een te verrichten werk
Hoe spreek je taak uit?
/tak/
Taak bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| a | maan |
| k | kat |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| taakje | verkleinwoord, enkelvoud |
| taakjes | verkleinwoord, meervoud |
| taken | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van taken
- gebiedende wijs van taken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van taken
Vervoeging van taak
taakhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘opdracht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1573
Woordfamilie van taak
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| taakje | verkleinwoord | taak |
| taakjes | verkleinwoord meervoud | taak |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van taak zijn vastgelegd.
Afleidingen en samenstellingen
- taakafbakening
- taakanalist
- taakanalyse
- taakbelasting
- taakgebied
- taakgericht
- taakgroep
- taakleerkracht
- taakleraar
- taakomschrijving
- taakomvang
- taakopdracht
- taakopvatting
- taakspecialisatie
- taakstellend
- taakstelling
- taakstraf
- taakuitbreiding
- taakuitoefening
- taakuitvoering
- taakuur
- taakveld
- taakverdeling
- taakverlichting