kraak
zelfstandig naamwoord, werkwoord krakBetekenis
- een zeemonster, waarschijnlijk de inmiddels goed gedocumenteerde reuzenpijlinktvis, dat ondanks herhaalde waarnemingen door zeelui, door wetenschap en gemeenschap als mythisch werd afgedaan
- een inktvis zonder inwendig skelet
- zich onbevoegd toegang verschaffen tot iets
- zeegaand zeilschip, ontwikkeld in de tweede helft van de 15e eeuw, dat veel gemeen heeft met de karveel waaruit hij is ontwikkeld
- houten zeilschip uit de 15e-16e eeuw van de binnenwateren
- ijzeren schip uit de 19e eeuw van de binnenwateren
- iets wat klinkt of voelt als een breuk
Hoe spreek je kraak uit?
/krak/
Kraak bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| r | rood |
| a | maan |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- Octopus vulgaris, een inktvis zonder inwendig skelet
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kraakje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kraakjes | verkleinwoord, meervoud |
| kraken | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kraken
- gebiedende wijs van kraken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kraken
Vervoeging van kraak
kraakhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘schip’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1376
Woordfamilie van kraak
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kraakje | verkleinwoord | kraak |
| kraakjes | verkleinwoord meervoud | kraak |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kraak zijn vastgelegd.