knaak
zelfstandig naamwoord knakBetekenis
- een oud muntstuk van ƒ2.50
Hoe spreek je knaak uit?
/knak/
Knaak bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| n | nek |
| a | maan |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- oud muntstuk van ƒ 2,50
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| knaakje | verkleinwoord, enkelvoud |
| knaakjes | verkleinwoord, meervoud |
| knaken | meervoud |
Herkomst
via het Bargoens, verwant met Rotwelsch (Duits Bargoens) Knök, Kneks; in de betekenis van ‘groot muntstuk, een (rijks)daalder’ aangetroffen vanaf 1689
Woordfamilie van knaak
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| knaakje | verkleinwoord | knaak |
| knaakjes | verkleinwoord meervoud | knaak |
| knaken | meervoud | knaak |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van knaak zijn vastgelegd.