schaak
zelfstandig naamwoord, bijwoord, tussenwerpsel, werkwoord sxakBetekenis
- een bepaalde situatie tijdens het schaakspel waarin een vijandig stuk naar de koning kijkt
- het schaakspel als zodanig
- waarschuwende uitroep tijdens het schaakspel dat de koning van de tegenstander op het punt staat veroverd te worden
Hoe spreek je schaak uit?
/sxak/
Schaak bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| a | maan |
| k | kat |
zelfstandig naamwoord — neuter
- een bepaalde stand tijdens het schaakspel waarin een vijandig stuk naar de koning [3] kijkt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schaakje | verkleinwoord, enkelvoud |
| schaakjes | verkleinwoord, meervoud |
bijwoord
- in zo'n staat tijdens het schaakspel dat de koning van de tegenstander op het punt staat veroverd te worden
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schaken
- gebiedende wijs van schaken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schaken
Vervoeging van schaak
schaakhele werkwoord
Herkomst
Van het Perzische sjah (koning)
Woordfamilie van schaak
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schaakje | verkleinwoord | schaak |
| schaakjes | verkleinwoord meervoud | schaak |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schaak zijn vastgelegd.