winkelhaak
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een werktuig bedoeld om rechte hoeken mee uit te zetten
- een scheur in een kledingstuk in de vorm van 1
- een constructie van metaal om hoekverbanden te versterken
zelfstandig naamwoord — masculine
- een scheur in een kledingstuk in de vorm van [1]
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| winkelhaakje | verkleinwoord, enkelvoud |
| winkelhaakjes | verkleinwoord, meervoud |
| winkelhaken | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘gereedschap’ voor het eerst aangetroffen in 1477
Woordfamilie van winkelhaak
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| winkelhaakje | verkleinwoord | winkelhaak |
| winkelhaakjes | verkleinwoord meervoud | winkelhaak |
| winkelhaken | meervoud | winkelhaak |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van winkelhaak zijn vastgelegd.