kaak
zelfstandig naamwoord, werkwoord kakBetekenis
- het beendergestel dat de mondholte omsluit en waarin de tanden en kiezen geplaatst zijn
- een wang
- een houten of stenen podest, waarop de te straffen misdadigers tentoon werden gesteld
- hard meelgebak
Hoe spreek je kaak uit?
/kak/
Kaak bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| a | maan |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kaakje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kaakjes | verkleinwoord, meervoud |
| kaken | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kaken
- gebiedende wijs van kaken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kaken
Vervoeging van kaak
kaakhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘monddeel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285.
Woordfamilie van kaak
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kaakjes | verkleinwoord meervoud | kaak |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kaak zijn vastgelegd.