staak
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈstakBetekenis
- lange stok die als steun in de grond is gezet
- doelpaal
- lang, mager persoon
Hoe spreek je staak uit?
/ˈstak/
Staak bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| a | maan |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- lang, mager persoon, bonenstaak
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| staakje | verkleinwoord, enkelvoud |
| staakjes | verkleinwoord, meervoud |
| staken | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van staken
- gebiedende wijs van staken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van staken
Vervoeging van staak
staakhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘paal’ voor het eerst aangetroffen in 1165
Woordfamilie van staak
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| staakje | verkleinwoord | staak |
| staakjes | verkleinwoord meervoud | staak |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van staak zijn vastgelegd.