vast
bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, werkwoord vɑstBetekenis
- stevig
- permanent
- kristallijn of amorf
- niet los, stevig bevestigen|bevestigd
- niet los te krijgen, muurvast
- hoogstwaarschijnlijk
Hoe spreek je vast uit?
/vɑst/
Vast bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ɑ | bad |
| s | sok |
| t | tak |
bijvoeglijk naamwoord
- aan een bepaalde plek gebonden, niet zomaar beweeglijk of verplaatsbaar
- stevig [1], niet zomaar van vorm veranderend, niet fluïde
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| (vastst) * | onverbogen, overtreffende trap |
| (vastste) * | verbogen, overtreffende trap |
| vaste | verbogen, stellende trap |
| vaster | onverbogen, vergrotende trap |
| vastere | verbogen, vergrotende trap |
| vasters | partitief, vergrotende trap |
| vasts | partitief, stellende trap |
bijwoord
- niet los, stevig bevestigd
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van vasten
- gebiedende wijs van vasten
Vervoeging van vast
vasthele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘niet beweeglijk, zeker, blijvend’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1100
Woordfamilie van vast
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vaster | vergrotende trap | vast |
| vastere | verbogen vergrotende trap | vast |
| vasters | partitieve vergrotende trap | vast |
| vasts | partitive, positive | vast |
| vastst | woordvorm | vast |
| vastste | woordvorm | vast |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vast zijn vastgelegd.