leukoplast
zelfstandig naamwoord ˈløkoˌplɑstBetekenis
- een type plastide in een plantencel dat gespecialiseerd is in het opslaan van suiker (glucose) in zetmeel (amyloplast), of in olie (elaioplast), of in proteïne (proteïnoplast)
- hechtpleister in stroken van rubber of kunststof met zinkoxide
Hoe spreek je leukoplast uit?
/ˈløkoˌplɑst/
Leukoplast bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| ø | deur |
| k | kat |
| o | boot |
| p | pak |
| ɑ | bad |
| s | sok |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| leukoplasten | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘hechtpleister’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1910
Woordfamilie van leukoplast
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| leukoplasten | meervoud | leukoplast |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van leukoplast zijn vastgelegd.