vastbinden
werkwoord ˈvɑs(t)bɪndə(n)Betekenis
- ketenen, bevestigen met veter of touw
Hoe spreek je vastbinden uit?
/ˈvɑstbɪndən/
Vastbinden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ɑ | bad |
| s | sok |
| t | tak |
| b | bak |
| ɪ | pit |
| n | nek |
| d | dak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van vastbinden
vastbindenhele werkwoord — bond vastverleden tijd enkelvoud — bonden vastverleden tijd meervoud — vastgebondenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bind vast | bond vast |
| jij | bindt vast | bond vast |
| hij, zij, het | bindt vast | bond vast |
| wij | binden vast | bonden vast |
| jullie | binden vast | bonden vast |
| zij | binden vast | bonden vast |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben vastgebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent vastgebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bind vast | gebiedende wijs |
| bond vast | verleden tijd |
| er is vastgebonden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was vastgebonden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd vastgebonden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt vastgebonden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal vastgebonden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal vastgebonden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou vastgebonden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou vastgebonden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had vastgebonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had vastgebonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had vastgebonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden vastgebonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden vastgebonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden vastgebonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt vastgebonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb vastgebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vastgebonden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben vastgebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vastgebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben vastgebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt vastgebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vastgebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vastgebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is vastgebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is vastgebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben vastgebonden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vastbinden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vast te binden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vast te zullen binden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vast zal binden | bijzin, toekomende tijd |
| vast zou binden | bijzin, voorwaardelijk |
| vast zouden binden | bijzin, voorwaardelijk |
| vast zoudt binden | bijzin, voorwaardelijk |
| vast zullen binden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vast zullen binden | bijzin, toekomende tijd |
| vast zult binden | bijzin, toekomende tijd |
| vastbind | bijzin, tegenwoordige tijd |
| vastbindend | onvoltooid, deelwoord |
| vastbindt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| vastbond | bijzin, verleden tijd |
| vastbonden | bijzin, verleden tijd |
| vastgebonden | verleden tijd, deelwoord |
| vastgebonden te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vastgebonden te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vastgebonden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vastgebonden te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vastgebonden te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vastgebonden worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vastgebonden zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vastgebonden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vastgebonden zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vastgebonden zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| waart vastgebonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vastgebonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren vastgebonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vastgebonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was vastgebonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was vastgebonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was vastgebonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd vastgebonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd vastgebonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd vastgebonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden vastgebonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden vastgebonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden vastgebonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt vastgebonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word vastgebonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden vastgebonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden vastgebonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden vastgebonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt vastgebonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt vastgebonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal vastbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vastbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vastbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal vastbinden | bijzin, toekomende tijd |
| zal vastgebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vastgebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vastgebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vastgebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vastgebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal vastgebonden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vastgebonden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn vastgebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn vastgebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn vastgebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt vastgebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou vastbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vastbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vastbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou vastbinden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou vastgebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vastgebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vastgebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vastgebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vastgebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou vastgebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vastgebonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vastgebonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vastgebonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) vastbinden vast zou(dt) binden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden vastbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vastbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vastbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden vastbinden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden vastgebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vastgebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vastgebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vastgebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vastgebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vastgebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vastgebonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vastgebonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vastgebonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt vastbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt vastbinden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt vastgebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vastgebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vastgebonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen vastbinden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vastbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vastbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vastbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen vastbinden | bijzin, toekomende tijd |
| zullen vastgebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vastgebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vastgebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vastgebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vastgebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vastgebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vastgebonden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vastgebonden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vastgebonden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult vastbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van vast en binden
Woordfamilie van vastbinden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bind vast | gebiedende wijs | vastbinden |
| binde vast | woordvorm | vastbinden |
| binden vast | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | vastbinden |
| bindt vast | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vastbinden |
| bond vast | verleden tijd | vastbinden |
| bonden vast | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vastbinden |
| vastbind | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | vastbinden |
| vastbinde | with-subordinate-clause | vastbinden |
| vastbindend | onvoltooid deelwoord | vastbinden |
| vastbindende | woordvorm | vastbinden |
| vastbindt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | vastbinden |
| vastbond | subordinate-clause, verleden tijd | vastbinden |
| vastbonden | subordinate-clause, verleden tijd | vastbinden |
| vastgebonden | voltooid deelwoord | vastbinden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vastbinden zijn vastgelegd.