vastgrijpen
werkwoordBetekenis
- iets stevig in de handen pakken
- zich ~ aan: zich verankeren door iets stevig beet te pakken
Vervoeging van vastgrijpen
vastgrijpenhele werkwoord — greep vastverleden tijd enkelvoud — grepen vastverleden tijd meervoud — vastgegrepenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | grijp vast | greep vast |
| jij | grijpt vast | greep vast |
| hij, zij, het | grijpt vast | greep vast |
| wij | grijpen vast | grepen vast |
| jullie | grijpen vast | grepen vast |
| zij | grijpen vast | grepen vast |
Alle 159 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben vastgegrepen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent vastgegrepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is vastgegrepen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was vastgegrepen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd vastgegrepen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt vastgegrepen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal vastgegrepen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal vastgegrepen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou vastgegrepen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou vastgegrepen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| greep vast | verleden tijd |
| grijp u/je vast, grijpt je vast | gebiedende wijs |
| grijp vast | gebiedende wijs |
| had vastgegrepen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had vastgegrepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had vastgegrepen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden vastgegrepen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden vastgegrepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden vastgegrepen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt vastgegrepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb vastgegrepen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vastgegrepen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben vastgegrepen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vastgegrepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben vastgegrepen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt vastgegrepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vastgegrepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vastgegrepen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is vastgegrepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is vastgegrepen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben vastgegrepen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vastgrijpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vast te grijpen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vast te zullen grijpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vast zal grijpen | bijzin, toekomende tijd |
| vast zou grijpen | bijzin, voorwaardelijk |
| vast zouden grijpen | bijzin, voorwaardelijk |
| vast zoudt grijpen | bijzin, voorwaardelijk |
| vast zullen grijpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vast zullen grijpen | bijzin, toekomende tijd |
| vast zult grijpen | bijzin, toekomende tijd |
| vastgegrepen | verleden tijd, deelwoord |
| vastgegrepen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vastgegrepen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vastgegrepen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vastgegrepen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vastgegrepen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vastgegrepen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vastgegrepen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vastgegrepen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vastgegrepen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vastgegrepen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vastgreep | bijzin, verleden tijd |
| vastgreept | bijzin, verleden tijd |
| vastgrepen | bijzin, verleden tijd |
| vastgrijp | bijzin, tegenwoordige tijd |
| vastgrijpend | onvoltooid, deelwoord |
| vastgrijpt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| waart vastgegrepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vastgegrepen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren vastgegrepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vastgegrepen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was vastgegrepen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was vastgegrepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was vastgegrepen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd vastgegrepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd vastgegrepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd vastgegrepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden vastgegrepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden vastgegrepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden vastgegrepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt vastgegrepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word vastgegrepen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden vastgegrepen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden vastgegrepen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden vastgegrepen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt vastgegrepen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt vastgegrepen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me vastgrijpen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal vastgegrepen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vastgegrepen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vastgegrepen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vastgegrepen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vastgegrepen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal vastgegrepen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vastgegrepen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vastgrijpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vastgrijpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vastgrijpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal vastgrijpen | bijzin, toekomende tijd |
| zal zich vastgrijpen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je vastgrijpen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich vastgegrepen hebben | verleden tijd |
| zich vastgrijpend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn vastgegrepen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn vastgegrepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn vastgegrepen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt vastgegrepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou vastgegrepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vastgegrepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vastgegrepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vastgegrepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vastgegrepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou vastgegrepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vastgegrepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vastgegrepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vastgegrepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vastgrijpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vastgrijpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vastgrijpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou vastgrijpen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) vastgrijpen vast zou(dt) grijpen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden vastgegrepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vastgegrepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vastgegrepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vastgegrepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vastgegrepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vastgegrepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vastgegrepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vastgegrepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vastgegrepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vastgrijpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vastgrijpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vastgrijpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden vastgrijpen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt vastgegrepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vastgegrepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vastgegrepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vastgrijpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt vastgrijpen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen je vastgrijpen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons vastgrijpen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen vastgegrepen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vastgegrepen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vastgegrepen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vastgegrepen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vastgegrepen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vastgegrepen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
Herkomst
samenstelling van vast en grijpen
Woordfamilie van vastgrijpen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| greep vast | verleden tijd | vastgrijpen |
| greept vast | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | vastgrijpen |
| grepen vast | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vastgrijpen |
| grijp vast | gebiedende wijs | vastgrijpen |
| grijpe vast | woordvorm | vastgrijpen |
| grijpen vast | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | vastgrijpen |
| grijpt vast | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vastgrijpen |
| vastgegrepen | voltooid deelwoord | vastgrijpen |
| vastgreep | subordinate-clause, verleden tijd | vastgrijpen |
| vastgreept | subordinate-clause, verleden tijd | vastgrijpen |
| vastgrepen | subordinate-clause, verleden tijd | vastgrijpen |
| vastgrijp | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | vastgrijpen |
| vastgrijpe | with-subordinate-clause | vastgrijpen |
| vastgrijpend | onvoltooid deelwoord | vastgrijpen |
| vastgrijpende | woordvorm | vastgrijpen |
| vastgrijpt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | vastgrijpen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vastgrijpen zijn vastgelegd.