Naar de inhoud

vastgrijpen

iets stevig in de handen pakken

vastgrijpen

werkwoord

Betekenis

  1. iets stevig in de handen pakken
  2. zich ~ aan: zich verankeren door iets stevig beet te pakken

Vervoeging van vastgrijpen

vastgrijpenhele werkwoord — greep vastverleden tijd enkelvoud — grepen vastverleden tijd meervoud — vastgegrepenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik grijp vast greep vast
jij grijpt vast greep vast
hij, zij, het grijpt vast greep vast
wij grijpen vast grepen vast
jullie grijpen vast grepen vast
zij grijpen vast grepen vast
Alle 159 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben vastgegrepen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent vastgegrepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is vastgegrepen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was vastgegrepen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd vastgegrepen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt vastgegrepen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal vastgegrepen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal vastgegrepen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou vastgegrepen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou vastgegrepen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
greep vast verleden tijd
grijp u/je vast, grijpt je vast gebiedende wijs
grijp vast gebiedende wijs
had vastgegrepen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had vastgegrepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had vastgegrepen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden vastgegrepen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden vastgegrepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden vastgegrepen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt vastgegrepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb vastgegrepen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben vastgegrepen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben vastgegrepen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben vastgegrepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben vastgegrepen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt vastgegrepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft vastgegrepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft vastgegrepen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is vastgegrepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is vastgegrepen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben vastgegrepen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen vastgrijpen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vast te grijpen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vast te zullen grijpen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vast zal grijpen bijzin, toekomende tijd
vast zou grijpen bijzin, voorwaardelijk
vast zouden grijpen bijzin, voorwaardelijk
vast zoudt grijpen bijzin, voorwaardelijk
vast zullen grijpen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
vast zullen grijpen bijzin, toekomende tijd
vast zult grijpen bijzin, toekomende tijd
vastgegrepen verleden tijd, deelwoord
vastgegrepen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vastgegrepen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vastgegrepen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
vastgegrepen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vastgegrepen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
vastgegrepen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
vastgegrepen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
vastgegrepen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
vastgegrepen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
vastgegrepen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
vastgreep bijzin, verleden tijd
vastgreept bijzin, verleden tijd
vastgrepen bijzin, verleden tijd
vastgrijp bijzin, tegenwoordige tijd
vastgrijpend onvoltooid, deelwoord
vastgrijpt bijzin, tegenwoordige tijd
waart vastgegrepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren vastgegrepen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren vastgegrepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren vastgegrepen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was vastgegrepen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was vastgegrepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was vastgegrepen voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd vastgegrepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd vastgegrepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd vastgegrepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden vastgegrepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden vastgegrepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden vastgegrepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt vastgegrepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word vastgegrepen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden vastgegrepen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden vastgegrepen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden vastgegrepen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt vastgegrepen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt vastgegrepen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal me vastgrijpen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal vastgegrepen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vastgegrepen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal vastgegrepen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal vastgegrepen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vastgegrepen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal vastgegrepen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vastgegrepen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal vastgrijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal vastgrijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal vastgrijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal vastgrijpen bijzin, toekomende tijd
zal zich vastgrijpen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je vastgrijpen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich vastgegrepen hebben verleden tijd
zich vastgrijpend onvoltooid, deelwoord
zijn vastgegrepen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn vastgegrepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn vastgegrepen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt vastgegrepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou vastgegrepen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vastgegrepen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vastgegrepen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou vastgegrepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vastgegrepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou vastgegrepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vastgegrepen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vastgegrepen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vastgegrepen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou vastgrijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou vastgrijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou vastgrijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou vastgrijpen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) vastgrijpen vast zou(dt) grijpen bijzin, voorwaardelijk
zouden vastgegrepen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden vastgegrepen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden vastgegrepen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vastgegrepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden vastgegrepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden vastgegrepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vastgegrepen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden vastgegrepen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden vastgegrepen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vastgrijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden vastgrijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden vastgrijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden vastgrijpen bijzin, voorwaardelijk
zoudt vastgegrepen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vastgegrepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vastgegrepen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vastgrijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt vastgrijpen bijzin, voorwaardelijk
zullen je vastgrijpen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons vastgrijpen eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen vastgegrepen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen vastgegrepen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen vastgegrepen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen vastgegrepen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen vastgegrepen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen vastgegrepen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon

Herkomst

samenstelling van vast en grijpen

Woordfamilie van vastgrijpen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
greep vast verleden tijd vastgrijpen
greept vast aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon vastgrijpen
grepen vast aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon vastgrijpen
grijp vast gebiedende wijs vastgrijpen
grijpe vast woordvorm vastgrijpen
grijpen vast aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon vastgrijpen
grijpt vast aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon vastgrijpen
vastgegrepen voltooid deelwoord vastgrijpen
vastgreep subordinate-clause, verleden tijd vastgrijpen
vastgreept subordinate-clause, verleden tijd vastgrijpen
vastgrepen subordinate-clause, verleden tijd vastgrijpen
vastgrijp subordinate-clause, tegenwoordige tijd vastgrijpen
vastgrijpe with-subordinate-clause vastgrijpen
vastgrijpend onvoltooid deelwoord vastgrijpen
vastgrijpende woordvorm vastgrijpen
vastgrijpt subordinate-clause, tegenwoordige tijd vastgrijpen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vastgrijpen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over vastgrijpen

Wat betekent vastgrijpen?
Vastgrijpen is een werkwoord. Het woord betekent: iets stevig in de handen pakken. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je vastgrijpen?
Je vervoegt vastgrijpen als volgt: het voltooid deelwoord is vastgegrepen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord vastgrijpen is 24 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. A 1
  3. S 2
  4. T 2
  5. G 3
  6. R 2
  7. I 1
  8. J 4
  9. P 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 24 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

vastgrijpen levert met Wordfeud minimaal 26 en maximaal 102 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. A 1
  3. S 2
  4. T 2
  5. G 3
  6. R 2
  7. I 2
  8. J 4
  9. P 4
  10. E 1
  11. N 1
  12. 26 zonder bonus
  13. 102 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

vastgrijpen in het kort

vastgrijpen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van vastgrijpen zijn 101 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort vastgrijpen bij een woordfamilie van 16 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

vastgrijpen: iets stevig in de handen pakken
Deel vastgrijpen — standaardnederlands.nl