Naar de inhoud

vastketenen

met een keten of ketenen vastmaken

vastketenen

werkwoord

Betekenis

  1. met een keten of ketenen vastmaken

werkwoord

  1. zichzelf in ketens binden reflexive
  2. in ketens binden transitive

Vervoeging van vastketenen

vastketenenhele werkwoord — ketende vastverleden tijd enkelvoud — ketenden vastverleden tijd meervoud — vastgeketendvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik keten vast ketende vast
jij ketent vast ketende vast
hij, zij, het ketent vast ketende vast
wij ketenen vast ketenden vast
jullie ketenen vast ketenden vast
zij ketenen vast ketenden vast
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had vastgeketend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had vastgeketend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had vastgeketend voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden vastgeketend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden vastgeketend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden vastgeketend voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt vastgeketend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb vastgeketend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben vastgeketend actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben vastgeketend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben vastgeketend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben vastgeketend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt vastgeketend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft vastgeketend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft vastgeketend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
keten vast gebiedende wijs
ketende vast verleden tijd
te hebben vastgeketend actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen vastketenen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vast te ketenen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vast te zullen ketenen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vast zal ketenen bijzin, toekomende tijd
vast zou ketenen bijzin, voorwaardelijk
vast zouden ketenen bijzin, voorwaardelijk
vast zoudt ketenen bijzin, voorwaardelijk
vast zullen ketenen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
vast zullen ketenen bijzin, toekomende tijd
vast zult ketenen bijzin, toekomende tijd
vastgeketend verleden tijd, deelwoord
vastgeketend te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
vastgeketend zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
vastketen bijzin, tegenwoordige tijd
vastketende bijzin, verleden tijd
vastketenden bijzin, verleden tijd
vastketenend onvoltooid, deelwoord
vastketent bijzin, tegenwoordige tijd
zal vastgeketend hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vastgeketend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal vastgeketend hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal vastketenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal vastketenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal vastketenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal vastketenen bijzin, toekomende tijd
zou vastgeketend hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vastgeketend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vastgeketend hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou vastketenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou vastketenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou vastketenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou vastketenen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) vastketenen vast zou(dt) ketenen bijzin, voorwaardelijk
zouden vastgeketend hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden vastgeketend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden vastgeketend hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vastketenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden vastketenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden vastketenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden vastketenen bijzin, voorwaardelijk
zoudt vastgeketend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vastketenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt vastketenen bijzin, voorwaardelijk
zullen vastgeketend hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen vastgeketend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen vastgeketend hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen vastketenen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen vastketenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen vastketenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen vastketenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen vastketenen bijzin, toekomende tijd
zult vastgeketend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult vastketenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult vastketenen bijzin, toekomende tijd
zult/zal vastketenen vast zult/zal ketenen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van vast en ketenen

Woordfamilie van vastketenen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
keten vast gebiedende wijs vastketenen
ketende vast verleden tijd vastketenen
ketenden vast aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon vastketenen
ketene vast woordvorm vastketenen
ketenen vast aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon vastketenen
ketent vast aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon vastketenen
vastgeketend voltooid deelwoord vastketenen
vastgeketende woordvorm vastketenen
vastketen subordinate-clause, tegenwoordige tijd vastketenen
vastketende subordinate-clause, verleden tijd vastketenen
vastketenden subordinate-clause, verleden tijd vastketenen
vastketene with-subordinate-clause vastketenen
vastketenend onvoltooid deelwoord vastketenen
vastketenende woordvorm vastketenen
vastketent subordinate-clause, tegenwoordige tijd vastketenen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vastketenen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over vastketenen

Wat is de betekenis van vastketenen?
Vastketenen is een werkwoord. De betekenis is: met een keten of ketenen vastmaken. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik vastketenen?
Zo vervoeg je vastketenen zo: het voltooid deelwoord is vastgeketend. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord vastketenen is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. A 1
  3. S 2
  4. T 2
  5. K 3
  6. E 1
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. E 1
  11. N 1
  12. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

vastketenen levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. A 1
  3. S 2
  4. T 2
  5. K 3
  6. E 1
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. E 1
  11. N 1
  12. 19 zonder bonus
  13. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

vastketenen in het kort

vastketenen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van vastketenen staan er 45 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort vastketenen bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

vastketenen: met een keten of ketenen vastmaken
Deel vastketenen — standaardnederlands.nl