Naar de inhoud

vastbijten

vastberaden doorzetten

vastbijten

werkwoord

Betekenis

  1. vastberaden doorzetten
  2. zich ~: zich door bijten vasthechten

Vervoeging van vastbijten

vastbijtenhele werkwoord — beet vastverleden tijd enkelvoud — beten vastverleden tijd meervoud — vastgebetenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik bijt vast beet vast
jij bijt vast beet vast
hij, zij, het bijt vast beet vast
wij bijten vast beten vast
jullie bijten vast beten vast
zij bijten vast beten vast
Alle 86 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
beet vast verleden tijd
bijt u/je vast, bijt je vast gebiedende wijs
bijt vast gebiedende wijs
ev. gebiedende wijs
had vastgebeten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had vastgebeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had vastgebeten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden vastgebeten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden vastgebeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden vastgebeten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt vastgebeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb vastgebeten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben vastgebeten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben vastgebeten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben vastgebeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben vastgebeten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt vastgebeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft vastgebeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft vastgebeten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben vastgebeten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen vastbijten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vast te bijten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vast te zullen bijten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vast zal bijten bijzin, toekomende tijd
vast zou bijten bijzin, voorwaardelijk
vast zouden bijten bijzin, voorwaardelijk
vast zoudt bijten bijzin, voorwaardelijk
vast zullen bijten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
vast zullen bijten bijzin, toekomende tijd
vast zult bijten bijzin, toekomende tijd
vastbeet bijzin, verleden tijd
vastbeten bijzin, verleden tijd
vastbijt bijzin, tegenwoordige tijd
vastbijtend onvoltooid, deelwoord
vastgebeten verleden tijd, deelwoord
vastgebeten te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
vastgebeten zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
zal me vastbijten eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal vastbijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal vastbijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal vastbijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal vastbijten bijzin, toekomende tijd
zal vastgebeten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vastgebeten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal vastgebeten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal zich vastbijten derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je vastbijten tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich vastbijtend onvoltooid, deelwoord
zich vastgebeten hebben verleden tijd
zou vastbijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou vastbijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou vastbijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou vastbijten bijzin, voorwaardelijk
zou vastgebeten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vastgebeten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vastgebeten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) vastbijten vast zou(dt) bijten bijzin, voorwaardelijk
zouden vastbijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden vastbijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden vastbijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden vastbijten bijzin, voorwaardelijk
zouden vastgebeten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden vastgebeten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden vastgebeten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt vastbijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt vastbijten bijzin, voorwaardelijk
zoudt vastgebeten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen je vastbijten tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons vastbijten eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen vastbijten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen vastbijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen vastbijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen vastbijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen vastbijten bijzin, toekomende tijd
zullen vastgebeten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen vastgebeten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen vastgebeten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen zich vastbijten derde persoon, toekomende tijd, meervoud
zult u vastbijten tweede persoon
zult u vastbijten tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zult vastbijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult vastbijten bijzin, toekomende tijd
zult vastgebeten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult zich/u vastbijten tweede persoon
zult zich/u vastbijten tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zult/zal vastbijten vast zult/zal bijten bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van vast en bijten

Woordfamilie van vastbijten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
beet vast verleden tijd vastbijten
beten vast aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon vastbijten
bijt vast gebiedende wijs vastbijten
bijte vast woordvorm vastbijten
bijten vast aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon vastbijten
vastbeet subordinate-clause, verleden tijd vastbijten
vastbeten subordinate-clause, verleden tijd vastbijten
vastbijt subordinate-clause, tegenwoordige tijd vastbijten
vastbijte with-subordinate-clause vastbijten
vastbijtend onvoltooid deelwoord vastbijten
vastbijtende woordvorm vastbijten
vastgebeten voltooid deelwoord vastbijten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vastbijten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over vastbijten

Wat is de betekenis van vastbijten?
Vastbijten is een werkwoord. De betekenis is: vastberaden doorzetten. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik vastbijten?
Zo vervoeg je vastbijten zo: het voltooid deelwoord is vastgebeten. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord vastbijten is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. A 1
  3. S 2
  4. T 2
  5. B 3
  6. I 1
  7. J 4
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

vastbijten levert met Wordfeud minimaal 23 en maximaal 93 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. A 1
  3. S 2
  4. T 2
  5. B 4
  6. I 2
  7. J 4
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 23 zonder bonus
  12. 93 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

vastbijten in het kort

vastbijten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van vastbijten staan er 54 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort vastbijten bij een woordfamilie van 12 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

vastbijten: vastberaden doorzetten
Deel vastbijten — standaardnederlands.nl