vastbijten
werkwoordBetekenis
- vastberaden doorzetten
- zich ~: zich door bijten vasthechten
Vervoeging van vastbijten
vastbijtenhele werkwoord — beet vastverleden tijd enkelvoud — beten vastverleden tijd meervoud — vastgebetenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bijt vast | beet vast |
| jij | bijt vast | beet vast |
| hij, zij, het | bijt vast | beet vast |
| wij | bijten vast | beten vast |
| jullie | bijten vast | beten vast |
| zij | bijten vast | beten vast |
Alle 86 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| beet vast | verleden tijd |
| bijt u/je vast, bijt je vast | gebiedende wijs |
| bijt vast | gebiedende wijs |
| ev. | gebiedende wijs |
| had vastgebeten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had vastgebeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had vastgebeten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden vastgebeten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden vastgebeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden vastgebeten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt vastgebeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb vastgebeten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vastgebeten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben vastgebeten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vastgebeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben vastgebeten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt vastgebeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vastgebeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vastgebeten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben vastgebeten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vastbijten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vast te bijten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vast te zullen bijten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vast zal bijten | bijzin, toekomende tijd |
| vast zou bijten | bijzin, voorwaardelijk |
| vast zouden bijten | bijzin, voorwaardelijk |
| vast zoudt bijten | bijzin, voorwaardelijk |
| vast zullen bijten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vast zullen bijten | bijzin, toekomende tijd |
| vast zult bijten | bijzin, toekomende tijd |
| vastbeet | bijzin, verleden tijd |
| vastbeten | bijzin, verleden tijd |
| vastbijt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| vastbijtend | onvoltooid, deelwoord |
| vastgebeten | verleden tijd, deelwoord |
| vastgebeten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vastgebeten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zal me vastbijten | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal vastbijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vastbijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vastbijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal vastbijten | bijzin, toekomende tijd |
| zal vastgebeten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vastgebeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vastgebeten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zich vastbijten | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je vastbijten | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich vastbijtend | onvoltooid, deelwoord |
| zich vastgebeten hebben | verleden tijd |
| zou vastbijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vastbijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vastbijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou vastbijten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou vastgebeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vastgebeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vastgebeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) vastbijten vast zou(dt) bijten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden vastbijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vastbijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vastbijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden vastbijten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden vastgebeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vastgebeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vastgebeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt vastbijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt vastbijten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt vastgebeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen je vastbijten | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons vastbijten | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen vastbijten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vastbijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vastbijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vastbijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen vastbijten | bijzin, toekomende tijd |
| zullen vastgebeten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vastgebeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vastgebeten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zich vastbijten | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult u vastbijten | tweede persoon |
| zult u vastbijten | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult vastbijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult vastbijten | bijzin, toekomende tijd |
| zult vastgebeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zich/u vastbijten | tweede persoon |
| zult zich/u vastbijten | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult/zal vastbijten vast zult/zal bijten | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van vast en bijten
Woordfamilie van vastbijten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beet vast | verleden tijd | vastbijten |
| beten vast | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vastbijten |
| bijt vast | gebiedende wijs | vastbijten |
| bijte vast | woordvorm | vastbijten |
| bijten vast | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | vastbijten |
| vastbeet | subordinate-clause, verleden tijd | vastbijten |
| vastbeten | subordinate-clause, verleden tijd | vastbijten |
| vastbijt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | vastbijten |
| vastbijte | with-subordinate-clause | vastbijten |
| vastbijtend | onvoltooid deelwoord | vastbijten |
| vastbijtende | woordvorm | vastbijten |
| vastgebeten | voltooid deelwoord | vastbijten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vastbijten zijn vastgelegd.