gepast
werkwoord, bijvoeglijk naamwoord ɣəˈpɑstBetekenis
- goed aansluitend bij de situatie of bedoelingen
- behoorlijk, fatsoenlijk
- (kleding|nld) die iemand heeft aangehad om te zien of het de goede maat heeft
- (bij contante betaling) met precies het juiste bedrag, zodat geen wisselgeld nodig is
Hoe spreek je gepast uit?
/xəˈpɑst/
Gepast bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ə | de |
| p | pak |
| ɑ | bad |
| s | sok |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Woordvorm
- voltooid deelwoord van passen
Vervoeging van gepast
gepasthele werkwoord
bijvoeglijk naamwoord
- die iemand heeft aangehad om te zien of het de goede maat heeft
- met precies het juiste bedrag, zodat geen wisselgeld nodig is
Herkomst
*vervoeging van passen: de stam met omvoegsel ge- -t
Woordfamilie van gepast
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gepaster | woordvorm | gepast |
| gepastere | woordvorm | gepast |
| gepasters | woordvorm | gepast |
| gepasts | woordvorm | gepast |
| gepastst | woordvorm | gepast |
| gepastste | woordvorm | gepast |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gepast zijn vastgelegd.