Naar de inhoud

vastklemmen

met klemmen vastzetten

vastklemmen

werkwoord

Betekenis

  1. met klemmen vastzetten
  2. zich ~: zich krampachtig vasthouden

Vervoeging van vastklemmen

vastklemmenhele werkwoord — klemde vastverleden tijd enkelvoud — klemden vastverleden tijd meervoud — vastgeklemdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik klem vast klemde vast
jij klemt vast klemde vast
hij, zij, het klemt vast klemde vast
wij klemmen vast klemden vast
jullie klemmen vast klemden vast
zij klemmen vast klemden vast
Alle 158 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben vastgeklemd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent vastgeklemd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is vastgeklemd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was vastgeklemd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd vastgeklemd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt vastgeklemd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal vastgeklemd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal vastgeklemd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou vastgeklemd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou vastgeklemd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had vastgeklemd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had vastgeklemd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had vastgeklemd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden vastgeklemd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden vastgeklemd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden vastgeklemd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt vastgeklemd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb vastgeklemd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben vastgeklemd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben vastgeklemd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben vastgeklemd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben vastgeklemd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt vastgeklemd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft vastgeklemd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft vastgeklemd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is vastgeklemd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is vastgeklemd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
klem u/je vast, klemt je vast gebiedende wijs
klem vast gebiedende wijs
klemde vast verleden tijd
te hebben vastgeklemd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen vastklemmen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vast te klemmen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vast te zullen klemmen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vast zal klemmen bijzin, toekomende tijd
vast zou klemmen bijzin, voorwaardelijk
vast zouden klemmen bijzin, voorwaardelijk
vast zoudt klemmen bijzin, voorwaardelijk
vast zullen klemmen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
vast zullen klemmen bijzin, toekomende tijd
vast zult klemmen bijzin, toekomende tijd
vastgeklemd verleden tijd, deelwoord
vastgeklemd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vastgeklemd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vastgeklemd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
vastgeklemd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vastgeklemd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
vastgeklemd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
vastgeklemd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
vastgeklemd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
vastgeklemd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
vastgeklemd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
vastklem bijzin, tegenwoordige tijd
vastklemde bijzin, verleden tijd
vastklemden bijzin, verleden tijd
vastklemmend onvoltooid, deelwoord
vastklemt bijzin, tegenwoordige tijd
waart vastgeklemd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren vastgeklemd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren vastgeklemd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren vastgeklemd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was vastgeklemd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was vastgeklemd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was vastgeklemd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd vastgeklemd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd vastgeklemd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd vastgeklemd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden vastgeklemd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden vastgeklemd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden vastgeklemd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt vastgeklemd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word vastgeklemd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden vastgeklemd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden vastgeklemd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden vastgeklemd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt vastgeklemd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt vastgeklemd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal me vastklemmen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal vastgeklemd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vastgeklemd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal vastgeklemd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal vastgeklemd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vastgeklemd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal vastgeklemd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vastgeklemd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal vastklemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal vastklemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal vastklemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal vastklemmen bijzin, toekomende tijd
zal zich vastklemmen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je vastklemmen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich vastgeklemd hebben verleden tijd
zich vastklemmend onvoltooid, deelwoord
zijn vastgeklemd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn vastgeklemd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn vastgeklemd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt vastgeklemd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou vastgeklemd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vastgeklemd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vastgeklemd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou vastgeklemd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vastgeklemd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou vastgeklemd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vastgeklemd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vastgeklemd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vastgeklemd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou vastklemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou vastklemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou vastklemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou vastklemmen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) vastklemmen vast zou(dt) klemmen bijzin, voorwaardelijk
zouden vastgeklemd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden vastgeklemd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden vastgeklemd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vastgeklemd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden vastgeklemd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden vastgeklemd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vastgeklemd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden vastgeklemd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden vastgeklemd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vastklemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden vastklemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden vastklemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden vastklemmen bijzin, voorwaardelijk
zoudt vastgeklemd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vastgeklemd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vastgeklemd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vastklemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt vastklemmen bijzin, voorwaardelijk
zullen je vastklemmen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons vastklemmen eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen vastgeklemd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen vastgeklemd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen vastgeklemd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen vastgeklemd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen vastgeklemd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen vastgeklemd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen vastgeklemd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon

Herkomst

samenstelling van vast en klemmen

Woordfamilie van vastklemmen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
klem vast gebiedende wijs vastklemmen
klemde vast verleden tijd vastklemmen
klemden vast aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon vastklemmen
klemme vast woordvorm vastklemmen
klemmen vast aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon vastklemmen
klemt vast aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon vastklemmen
vastgeklemd voltooid deelwoord vastklemmen
vastgeklemde woordvorm vastklemmen
vastklem subordinate-clause, tegenwoordige tijd vastklemmen
vastklemde subordinate-clause, verleden tijd vastklemmen
vastklemden subordinate-clause, verleden tijd vastklemmen
vastklemme with-subordinate-clause vastklemmen
vastklemmend onvoltooid deelwoord vastklemmen
vastklemmende woordvorm vastklemmen
vastklemt subordinate-clause, tegenwoordige tijd vastklemmen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vastklemmen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over vastklemmen

Wat is de betekenis van vastklemmen?
Vastklemmen is een werkwoord. De betekenis is: met klemmen vastzetten. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik vastklemmen?
Zo vervoeg je vastklemmen zo: het voltooid deelwoord is vastgeklemd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord vastklemmen is 24 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. A 1
  3. S 2
  4. T 2
  5. K 3
  6. L 3
  7. E 1
  8. M 3
  9. M 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 24 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

vastklemmen levert met Wordfeud minimaal 24 en maximaal 96 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. A 1
  3. S 2
  4. T 2
  5. K 3
  6. L 3
  7. E 1
  8. M 3
  9. M 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 24 zonder bonus
  13. 96 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

vastklemmen in het kort

vastklemmen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van vastklemmen staan er 99 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort vastklemmen bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

vastklemmen: met klemmen vastzetten
Deel vastklemmen — standaardnederlands.nl