Naar de inhoud

vastklinken

door klinken (met klinknagels) vastzetten

vastklinken

werkwoord

Betekenis

  1. door klinken (met klinknagels) vastzetten

Vervoeging van vastklinken

vastklinkenhele werkwoord — klonk vastverleden tijd enkelvoud — klonken vastverleden tijd meervoud — vastgeklonkenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik klink vast klonk vast
jij klinkt vast klonk vast
hij, zij, het klinkt vast klonk vast
wij klinken vast klonken vast
jullie klinken vast klonken vast
zij klinken vast klonken vast
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had vastgeklonken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had vastgeklonken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had vastgeklonken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden vastgeklonken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden vastgeklonken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden vastgeklonken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt vastgeklonken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb vastgeklonken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben vastgeklonken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben vastgeklonken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben vastgeklonken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben vastgeklonken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt vastgeklonken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft vastgeklonken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft vastgeklonken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
klink vast gebiedende wijs
klonk vast verleden tijd
te hebben vastgeklonken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen vastklinken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vast te klinken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vast te zullen klinken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vast zal klinken bijzin, toekomende tijd
vast zou klinken bijzin, voorwaardelijk
vast zouden klinken bijzin, voorwaardelijk
vast zoudt klinken bijzin, voorwaardelijk
vast zullen klinken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
vast zullen klinken bijzin, toekomende tijd
vast zult klinken bijzin, toekomende tijd
vastgeklonken verleden tijd, deelwoord
vastgeklonken te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
vastgeklonken zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
vastklink bijzin, tegenwoordige tijd
vastklinkend onvoltooid, deelwoord
vastklinkt bijzin, tegenwoordige tijd
vastklonk bijzin, verleden tijd
vastklonken bijzin, verleden tijd
zal vastgeklonken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vastgeklonken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal vastgeklonken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal vastklinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal vastklinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal vastklinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal vastklinken bijzin, toekomende tijd
zou vastgeklonken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vastgeklonken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vastgeklonken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou vastklinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou vastklinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou vastklinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou vastklinken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) vastklinken vast zou(dt) klinken bijzin, voorwaardelijk
zouden vastgeklonken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden vastgeklonken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden vastgeklonken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vastklinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden vastklinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden vastklinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden vastklinken bijzin, voorwaardelijk
zoudt vastgeklonken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vastklinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt vastklinken bijzin, voorwaardelijk
zullen vastgeklonken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen vastgeklonken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen vastgeklonken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen vastklinken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen vastklinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen vastklinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen vastklinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen vastklinken bijzin, toekomende tijd
zult vastgeklonken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult vastklinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult vastklinken bijzin, toekomende tijd
zult/zal vastklinken vast zult/zal klinken bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van vast en klinken

Woordfamilie van vastklinken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
klink vast gebiedende wijs vastklinken
klinke vast woordvorm vastklinken
klinken vast aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon vastklinken
klinkt vast aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon vastklinken
klonk vast verleden tijd vastklinken
klonken vast aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon vastklinken
vastgeklonken voltooid deelwoord vastklinken
vastklink subordinate-clause, tegenwoordige tijd vastklinken
vastklinke with-subordinate-clause vastklinken
vastklinkend onvoltooid deelwoord vastklinken
vastklinkende woordvorm vastklinken
vastklinkt subordinate-clause, tegenwoordige tijd vastklinken
vastklonk subordinate-clause, verleden tijd vastklinken
vastklonken subordinate-clause, verleden tijd vastklinken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vastklinken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over vastklinken

Wat betekent vastklinken?
Vastklinken is een werkwoord. Het woord betekent: door klinken (met klinknagels) vastzetten.
Hoe vervoeg je vastklinken?
Je vervoegt vastklinken als volgt: het voltooid deelwoord is vastgeklonken. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord vastklinken is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. A 1
  3. S 2
  4. T 2
  5. K 3
  6. L 3
  7. I 1
  8. N 1
  9. K 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

vastklinken levert met Wordfeud minimaal 23 en maximaal 93 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. A 1
  3. S 2
  4. T 2
  5. K 3
  6. L 3
  7. I 2
  8. N 1
  9. K 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 23 zonder bonus
  13. 93 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

vastklinken in het kort

vastklinken staat in dit woordenboek als werkwoord. Van vastklinken zijn 45 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort vastklinken bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

vastklinken: door klinken (met klinknagels) vastzetten
Deel vastklinken — standaardnederlands.nl