gast
zelfstandig naamwoord, werkwoord ɣɑstBetekenis
- wie ergens ontvangen, verwelkomd of op een bijzondere wijze behandeld wordt
- klant in een hotel, restaurant e.d.
- wie uitgenodigd wordt voor een mediaprogramma
- (computer) iemand zonder eigen account op een computer of netwerk
- kerel
Hoe spreek je gast uit?
/xɑst/
Gast bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ɑ | bad |
| s | sok |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — masculine
- iemand die als bezoeker ergens wordt ontvangen, verwelkomd of op een bijzondere wijze behandeld
- iemand zonder eigen account op een computer of netwerk
- min of meer denigrerende vorm om tegen of over iemand (doorgaans van het mannelijke geslacht) te spreken informal
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gasten | meervoud |
| gastje | verkleinwoord, enkelvoud |
| gastjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gassen
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gassen
- gebiedende wijs meervoud van gassen
Vervoeging van gast
gasthele werkwoord
Herkomst
van Middelnederlands gast, in de betekenis van ‘bezoeker’ voor het eerst aangetroffen in 1236
Woordfamilie van gast
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gastje | verkleinwoord | gast |
| gastjes | verkleinwoord meervoud | gast |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gast zijn vastgelegd.